Weemoed

Het is een koude novemberavond. Ik zit in een Utrechts kleedlokaal. We bereiden ons voor op een bekerwedstrijd tegen de plaatselijke VC. Dat doen we door de al eerder afgesproken tactiek te herhalen (nummer 12 blokkeren we diagonaal, we serveren op de voorste passerloper, etc.). En we doen dat ook door met behulp van een cijfer een indicatie van je fysieke en mentale toestand te geven. Om beurten zeggen we een getal. Ik geef mezelf een 9. Op volleybalgebied. Buiten het veld ben ik een 6 waard, hooguit. Te danken aan mijn Never Ending To Do List die voor 75% wordt beheerst door schoolgerelateerde zaken.

Op dat moment vliegt de deur van het kleedlokaal open. Een jong meisje staat in de deuropening en kijkt met verbaasde ogen om zich heen. “Oh”, stamelt ze. Ik kijk naar haar rucanorkniebeschermers, die had ik vroeger ook. Het veel te grote shirt valt over haar kleine schouders. Een aandoenlijk gezicht. Voor een paar seconden weet ze niet wat ze moet doen. Dan draait ze zich in één ruk om en rent snel weg. 

Met weemoed denk aan de tijd toen ik 8 jaar was. Dat ik me nergens druk om maakte, behalve om winst op het komende minivolleybaltoernooi. Voor heel even verlang ik weer terug naar toen. Toen voelde ik me ook een 9: op én naast het veld.

De belediging van het jaar gaat naar…

Hoewel het jaar nog een dikke twee maanden kent, ben ik er vrijwel honderd procent zeker van dat ik de grootste persoonlijke belediging van 2016 al te pakken heb. Leest en huivert:

Blinde paniek en immense boosheid vechten om een plekje in mijn hoofd. Hoe is dit in hemelsnaam mogelijk. Ontluisterend loop ik langs de fietsrekken, driftig op zoek naar mijn groene krakfiets. Kijk ik nou niet goed? Heb ik het gewoon niet onthouden? Of… Nee, niet aan denken. Ik beloof mijn geliefde fietsje plechtig dat mócht ik ‘m vinden, ik ‘m ter verwennerij vanavond nog in een lekker sopje ga zetten. Zingend.

Helaas, dit toekomstige goedmakertje ten spijt: hij is weg. Foetsie. Van de aardbodem verdwenen. Godnondeju.

Gedesillusioneerd sjok ik door de Almelose straten, op zoek naar een fietsenwinkel. Het liefst een tweedehandse. Ergens voelt het idioot om direct een nieuwe bike te kopen, maar nood breekt wet. Zonder fiets ben ik letterlijk en figuurlijk nergens. Ik stap de eerste de beste fietsenwinkel binnen en aangemoedigd door mijn grafstemming val ik gelijk met de deur in huis. “Mijn fiets is gejat. Ik ben op zoek naar de meest goedkope fiets die u heeft.”

En voor ik het goed en wel door heb, wordt de belediging van het jaar naar mijn hoofd geslingerd. Gezien mijn meest recente en urgente probleem – fietsloos – ben ik natuurlijk vatbaar voor opmerkingen. Dat geef ik meteen toe. Maar ik vermoed dat ook een Kim met een goed humeur acuut vol woede was omgedraaid na het horen van de volgende vraag: “Gaat het om een volwassenenfiets?”

De zin van het leven

Hobby, passie, visie, ambitie… Ik vind het steeds enger wordende woorden. Het is eigenlijk net zoiets als het hebben van een vriend (of vriendin, heeuj). Mensen staan er van te kijken als je het niet hebt en in dat geval hoor je als de wiedeweerga op zoek te zijn.

Ik zie steeds vaker dat vrienden of vriendinnen zich afvragen wat de zin van het leven precies is. Ze zijn op zoek naar een soort doel; een vraagstuk dat op de meest uiteenlopende manieren wordt geformuleerd. ‘Waar wil ik over tien jaar staan?’ ‘Wat vind ik eigenlijk echt leuk?’ ‘Waarom leef ik?’ ‘Waarom ben ik een mens?’ Existentiële vragen waar niemand antwoord op heeft.

Even een zijsprongetje. Een aantal maanden terug bezocht ik een voorstelling van de koningin van de zelfspot, genaamd Paulien Cornelisse. Een geweldige cabaretuitvoering waar ik mijn longen uit het lijf heb gelachen. Voornamelijk om een hilarisch stuk waarbij ze fladderend voordeed hoe vreselijk slecht ze ooit als kanarie in een kindermusical heeft op moeten treden, maar dat terzijde. Ze sneed naast jolige onderwerpen ook serieuze shizzle aan. Zo kwam ze met het fantastische voorstel om voortaan geen punten meer te gebruiken in zinnen. Zij pleitte voor één enorme zin die begint bij de geboorte en eindigt vlak voor je dood. In die zin kun je natuurlijk alle leestekens die nu in de schaduw van de punt staan, zoals de komma, (daar zul je ‘m hebben), de puntkomma, haakjes en meer van die ondergeschoven kindjes, goed gebruiken. Voor een taalliefhebber als ik is dit een voorstel naar mijn hart.

“En dat noemen we dan”, zo sprak Paulien, snelwandelend van de ene kant van het podium naar de andere kant, symbool voor de lengte van het bestaan. “Dat noemen we dan… de zin van het leven.”

Perf.