Hoor wie klopt daar?

Had ik maar goed afgeklopt. Een kleine maand geleden verkondigde ik nog doodleuk dat ik ‘nooooooooit ziek ben’. Geen boom in de buurt en zo lui als ik was, sloeg ik het kleine afklopritueel luchtig over. Fataal, zo bleek vorige week. Met hartkloppingen, een brandend borstbeen en – voor m’n gevoel – afgestorven schouders lag ik voor Pampus op de bank. Met moeite kon ik mezelf naar school slepen om daar iedere les af te dwalen naar mijn fysieke gesteldheid. Tijdens een les marktonderzoek, waarbij iedereen plaatsneemt achter een pc, kon ik het niet laten.Want iedereen die een beetje bij de tijd is, zoekt gelijk de symptomen en bijbehorende aandoening op. Zo ook ik en google stemde me niet erg vrolijk. Sterker nog, de zoekmachine praatte me de meest erge ziektes aan. Hartinfarcten, maagzweren en levensbedreigende infecties passeerden met volle snelheid de revue. Ik heb zelfs nog een moment gedacht dat ik aan het middeleeuwse scheurbuik leed. Kortom: je gaat dood. Van de lessen op school heb ik toen bijzonder weinig meegekregen, maar ik heb nu wel een ander lesje geleerd. Het zoeken naar een mogelijke ziekte die je onder de leden hebt op internet is de grootste No Go ooit.

Het horrorverhaal hierboven uitgezonderd; internet maakt ons leven een stuk eenvoudiger. Maar eigenlijk weten we allemaal: het slaat nergens meer op. Ik word tegenwoordig gewhatsappt wanneer Boer Zoekt Vrouw begint, mam vertelt via LinkedIn hoe leuk m’n blog is (Dus bij dezen: thanks mam!) en ik kan me nog een krabbel op Hyves van m’n zusje herinneren waarin stond dat we over vijf minuten zouden gaan eten. Nog even en een app gaat voorspellen hoeveel likes een nieuwe profielfoto op gaat leveren. Of misschien bestaat die app al lang en ben ik gewoon hopeloos verouderd.

Een bijkomstigheid van dit hele onlinegedoe is het overwaaien van Engelse woorden. Zo zat ik vandaag in de bus en kreeg ik één kant van een telefoongesprek mee. “No, oh my god, dat meen je. Dat is echt killing. We zijn echt fucked up man, echt serieus what the fuck. Dat die bitch even zelf die fucking mails stuurt ofzo. Ja, echt he, what the fuck gewoon.”

Ik heb zelf een intense haat aan de Engelse taal, een van de hoofdredenen om de universiteit zo veel mogelijk te vermijden. Maar er is iets wat me nog meer stoort en dat is het Nederlands uitspreken van zwaar ingeburgerde Engelse woorden, veelal gebruikt voor de elektronische wereld van nu. Wat te denken van zappen. Ik kan het niet vaak genoeg benadrukken: het is zep en niet zap. En het is compjoeter en niet compuuter. Ja echt, je hebt mensen die het zo zeggen, ongelooflijk toch?

Net zo ongelooflijk als de huisarts die me vertelde dat ik waarschijnlijk een simpele blessure heb. Niks geen verlammingen, afgeknelde zenuwen of burn-out. Ik heb gewoon een massage verdiend die mijn schouders eens flink onder handen neemt en dan kan ik de hele wereld weer aan. Want tot nu toe ben ik van ieder bezoek aan de dokter klachtenvrij teruggekomen.

Oh my god, afkloppen!

Advertenties

Bijnamen? Mijn naam is haas.

In dit modieuze tijdperk vinden velen onder ons het lastig om ‘helemaal voor de volle 100% zichzelf te zijn’, als we het geëxplodeerde aanbod van psychologische boeken moeten geloven. God mag weten wie deze onzin heeft bedacht. Je bent toch altijd jezelf? Travestie daargelaten, maar laat ik vooropstellen dat ik me nog nooit als Tim, Pim, Jim of Wim heb voorgedaan (wellicht nog iets voor mijn To Do List!).

In elk geval is het tegenwoordig hip om lekker jezelf te zijn, ook al verander je van onder tot boven in de loop van de tijd. Er gaat van alles hangen, rimpels groeien tot ver over je ogen en de rest wordt grijs, wit en ten slotte kaal. Maar er is iets dat meneer De Tijd nooit zal kunnen veranderen en dat is je naam. Eigenlijk is je naam de enige houvast die je in de rest van je leven hebt, het enige waar je echt altijd en overal op terug kan vallen. Met één uitzondering en dat is de doopnaam. Een bizar verschijnsel vind ik dat. Ik heet Kim (lekker kort, dus dikke prima) maar toch kregen mijn ouders een waaningeving en zodoende prijkt er Kimberly Johanna Paulina Maria de Wild op mijn identiteitskaart. Mijn rij-examinator noemde mij de hele rit door Kimberly en ik ben er van overtuigd dat deze identiteitsbreuk ervoor heeft gezorgd dat ik pas de derde keer slaagde.

Kortom, je naam is een essentieel dingetje. En iets wat me al jaren fascineert, is het feit dat mensen heel graag alles en iedereen een bijnaam geven. Ik zelf krijg al van jongs af aan Kimmetje en Kimmie te horen, niet uitgesloten dat ook mijn lengte hierin een rol speelt. Niets mis mee, stiekem vind ik het zelfs wel leuk. Ook met mijn achternaam proberen de meesten nog wat te verzinnen. Maar na 19 jaar Kim de Wilde, Wilde Kim en Kim Wilde (Engels) aan te moeten horen, is daar de lol inmiddels aardig vanaf. De origineelste tot nu toe is Kim de Wildplasser, een redelijke indicator van het niveau van de bedenkers.

Ik  geef toe, ook ik kan het niet laten om mensen anders te noemen dan hun ID aangeeft. Meestal zijn het verkleinwoorden. Al heeft mijn zusje Jessie een wel zeer bijzondere gekregen. Wij zijn, zoals echte zussen befaamd, erg direct naar elkaar. Dus zodoende hoefde ik mijn afgrijzen niet te onderdrukken toen ze vol trots haar nieuwste aankoop showde: een paar nepUggs om te gebruiken als sloffen. Sindsdien noem ik haar Ugg, uit te spreken als Uk (een kleine kwinkslag gezien het feit dat ze een stuk groter is dan ik).

Dan heb je ook nog het gevalletje noodbijnamen. Sommige bijnamen zijn namelijk uit nood geboren. Zo heb ik een zeer hechte vriendengroep waar efficiëntie hoog in het vaandel staat. Niets is zo vervelend als op een stapavond zeven keer te moeten vertellen dat je eerder moet gaan in verband met een rinkelende wekker om 06.00 ’s ochtends. Resultaat: doordat je iedereen persoonlijk op de hoogte moet brengen, duurt het zo lang dat je uiteindelijk toch besluit te blijven met als gevolg 2,5 uur slaap en het Fak-ik-ben-brak-gevoel wat je zo graag wou vermijden.

Vandaar dat we er na een paar weken schoon genoeg van hadden: een Anne en een Anna in de groep. Er is nog nooit zoveel onnodige commotie, chaos en paniek gecreëerd als in het ‘Anne&Anna’-tijdperk. ‘Wie heeft er eigenlijk de vakantie gisteren geboekt? Anna?” “Ja, Anne inderdaad.” “Maar dat zou Anne toch doen?! Is er nu dubbel geboekt?” “Oh my god, heeft Anna nu ook geboekt? Met Anne?” “Bedoel je nu Anne of Anna, want ik volg je niet meer.”

We besloten toen na een bijzonder effectief overleg dat we Anne voortaan Mo zouden noemen. Kort en vlot. Helaas stonden we er nooit bij stil dat iedere Mohammed ook de bijnaam Mo krijgt en je raadt het al…

een identiteitscrisis was born.

Managende rommelkont

Voor het blog gezet.. dat is precies datgene wat ik net met mezelf heb gedaan. Zoals velen op deze aardbol ben ook ik lui, laks en ben ik al aan talloze dingen begonnen die nog steeds afgemaakt moeten worden. Iedereen kent het wel. Zo staan er nog wat mailtjes open omtrent een verjaardagskado van een van m’n beste vrienden, hoor ik al halverwege het suffe studieboek “Leren Communiceren” te zijn (typisch zo’n boek waarvan ik aanneem dat ik het beter weet dan de schrijver) en heb ik sudokuboekjes volgekalkt met halfafgemaakte puzzels. Het meest trieste voorbeeld is het begin aan mijn To Do List, maar zelfs daar ben ik halverwege mee gestopt. Daarnaast heb ik me al weken voorgenomen om m’n kamer opnieuw te ordenen. Dat laatste zouden de meeste mensen ‘opruimen’ noemen, maar dat is in mijn geval niet het juiste woord. Ik weet namelijk precies waar alles ligt – aantekeningen van Marketingcommunicatie links onder de stapels boeken op het bureau, tussen de pennen, een verdwaalde schaar, m’n agenda (hee! hier lag ie dus), viltstiften, opladers voor m’n telefoon, MP3-speler, fotolijstjes, cadeaubonnen, mappen, lege glazen, flessen deodorant, plastic folie van opgegeten koekjes, ongeopende enveloppen (nog zo’n uitsteldingetje) en markeerstiften. Voor buitenstaanders is een bezoek aan mijn kamer een groot avontuur; voordat je bij het raam staat moet er worden gegraven door rondslingerende kleren en stapels papier. Maar het mooie aan deze ‘puinhoop’ is dat het eigenlijk een georganiseerde chaos is. Over het algemeen kan ik de meeste dingen redelijk eenvoudig terugvinden en soms is daar plots een meevaller (een tegoedbon voor de H&M? Wat leuk!) en af en toe een tegenvaller (jammer dat ie al drie maanden verlopen is).  Kortom: ik ben een managende rommelkont die niets zoveel liefheeft als het uitstellen van zaken. En dat is precies waarom ik nu ben begonnen met ‘Voor het blog gezet’: het wordt tijd dat ik opgroei – het liefst letterlijk; ik tik hopelijk de 1.60 aan maar ik wacht al 19 jaar op die ene groeispurt die me naar de door iedereen geliefde 1.75 brengt. In ieder geval hoop ik me zo elke week te dwingen tot het schrijven om uiteindelijk een To Do List op te kunnen stellen zonder een pauze van een halfjaar in te lassen.