Sportfeestjes

“Oké, jullie moeten allemaal even kijken! Zal ik voor dit zwarte leren rokje gaan? Of deze jeans? Ik wil eigenlijk in dat rokje, maar dat is wel koud natuurlijk… maar een broek is zóó saai. En matcht ook totaal niet met m’n laarsjes, hoewel ik natuurlijk ook deze… ho, wacht even…. Aah! Kijk, deze vans kunnen natuurlijk óók. Maar die zijn een beetje stuk aan de zijkant, dus… Wat vinden jullie? Toch maar het rokje? Met dit hempje dan?”

Terwijl m’n hersenen langzaam afsterven door deze overkil aan mode-info, komen alle vrouwelijke fashionkenners in de kleedkamer tot leven. Van iedere hoek wordt er – hoe kan het ook anders – een andere mening geroepen.

“Aaaah wat een leuk rokje! Aandoen, anders doe ik ‘m aan.”

“Ben je gestoord, het gaat vriezen gek.”

“Boeeeeien, alcohol doet een hoop! Ik ben voor het rokje!”

“Broek!”

“Broek!”

“Rokje!”

“Aaaah jongens, ik weet het nog steeds niet… Wat moet ik doen? Wacht, ik doe wel eerst het rokje aan en dan moeten jullie kijken of het staat bij dit hempje. En ik heb ook nog een sjaaltje trouwens.”

Tot mijn grote afgrijzen wordt er een mega-weekendtas tevoorschijn gehaald, waar overduidelijk de hele kledingkast in is geknald. M’n rug knakt al bij het aanzien ervan, laat staan bij het dragen ervan. Verwoed wordt er gezocht naar dat ene perfecte sjaaltje, uiteraard bedolven onder een drietal paar schoenen, twee colbertjes en ontelbaar veel shirtjes.

Ondertussen begint een ander een eigen modeshow: “Kijk, als ik zo loop, schijnt dit dan door?”

“Ja, maar je kan het hebben meid.”

“Uhm, ik weet niet wat jouw bedoelingen van vanavond zijn… Wil je scoren, dan sowieso doen!”

“Nogmaals, het gaat vriezen.”

“Maar daarom heb ik dus dit sjaaltje!”

Hup, behendig wordt er een stijltang door het haar gehaald, gevolgd door een gilletje. “Oh mijn god, misschien moet ik het wel krullen!”

“Jaaaa dat is leuk!”

“Iemand een krultang mee?”

“Je mag wel na mij!”

“Wieeee lust er een bacootje? Zelfgemaakt!”

“IKKE!”

“Ik ook! Maar niet te veel. Stop, genoeg!”

“Sinds wanneer ben je aan de lijn?”

“Aah joh, lijn, lijn… het is bijna zomer weetje, even in shape komen en zo.”

Rondkijkend voel ik m’n eigen buik met de minuut meer uiteenzetten en begin ik lichtjes te twijfelen aan mijn simpele broek-blouse outfit.

“Neeeeee! Oh my lord! IK BEN M’N FAVO KETTING VERGETEN!”

Ik heb niet eens een favo ketting.

“Wat doe jij? Rokje of broek? Oke, dan doe ik ook een broekje.”

“Wat vinden jullie van mijn mascara? Too much of nog een beetje meer? Wat denken jullie van….”

Zomaar een greep uit de conversaties voorafgaand aan een volleybalfeestje. Zo af en toe is het heerlijk om al die modedilemma’s en panische blikken in stilte te aanschouwen. Maar niet te vaak. Goddank spelen we onze wedstrijden in een vooraf samengesteld tenue, want ik zie de bui al hangen… “Met trainingsjack of zonder? Deze sportschoenen? Blauwe of zwarte veters? En een lange of een korte broek? Hmm, het is wel fris in de zaal… Wat doen jullie?”

Advertenties

Die glimmende, knalroze paal

Er is niets zo verschrikkelijk als wachten op de bus. Op de eerste plaats is wachten sowieso vervelend, maar buiten in de regen op een maandagmorgen om 06.55 uur maakt het tig keer erger. Zeker als de bus zes minuten vertraging heeft waardoor je natuurlijk op een haar de trein mist… dan is het rouwfeest compleet.

Ik persoonlijk wacht het liefst in m’n eentje. Geen zorgen dat mijn muziek uit m’n oortjes te hard staat (hoe gênant is het als je mede-buswachters de klanken van Abba zouden herkennen), niemand die iets van m’n verwaaide haar kan vinden en geen meekijkende mensen als ik een panische zoektocht in zakken, jassen en tassen naar m’n vergeten OV begin.

Maar het allerergst zijn de halfbekende mede-buswachters. Een oude buurjongen, een achtertante of oud-klasgenoten van de middelbare/basisschool. Mensen die je in geen jaren hebt gezien – wat je ook maar al te graag zo wil houden – en die dan plots ook op maandagmorgen de bus van 06.56 uur moeten hebben. AAARGH! Talloze gedachten schieten door je hoofd. Zouden ze me nog herkennen? (Tuurlijk Kim, doe niet zo naïef en achterlijk). Oké, what to do? Aankijken, glimlachen, wegkijken, hoi zeggen, het daar bij laten of ‘hoe gaat het’ vragen en dus onvermijdelijk een busreis lang naast die suffe ex-collega zitten? Meestal wint mijn ochtendhumeur het van m’n sociale skills en heb ik ineens een wel heel interessante app op mijn telefoon gevonden waar ik driftig mee loop te swypen.

De grote koplampen van de bus die de duisternis doen oplichten, zorgen voor een innerlijk moment van ‘Vrijheid Blijheid!’, maar brengen meteen ook het volgende dingetje met zich mee. Wie o wie stapt er als eerste de bus in? Ik ben opgevoed met redelijk wat normen en waarden, dus meestal laat ik de oudere generatie als eerste hun wandelstok in de bus planten. Tot voor kort, want sinds de invoering van de ov-chipkaart zijn de 50+ers een garantie voor opstoppingen. Het is eenvoudiger om de paus te bekeren tot de Islam dan de oudjes te leren inchecken. Dat pasje wordt letterlijk o-ve-ral tegenaan gehouden. Zelfs de chauffeur wordt voor incheckmast aangezien, maar die glimmende knalroze paal zien de jampotglazen over het hoofd. Om niet goed van te worden… Dus uit praktisch oogpunt glip ik als eerste de openzwiepende deuren door en geef ik die babyboomers het voorbeeld. Minder stagnatie, minder wachttijden en dan haal ik de trein hopelijk net wél.