P.S. Ik val op vrouwen

Het is alsof ik met hoogtevrees op het uiteinde van een hoge duikplank sta. Het water ziet er angstaanjagend diep uit en ik ben bang voor de val. De afgelopen zeven jaar heb ik de duikplank beklommen, maar het moment van springen stel ik het liefst nog zeven jaar uit.

In werkelijkheid sta ik in de deuropening van onze serre, quasi-nonchalant mee te babbelen over een of andere supersale in de stad. Ik realiseer me heel goed dat we vanavond eindelijk allemaal thuis zijn: pap, mam, mijn zusje en ik. Zuslief is al op de hoogte, pa en ma weten nog van niks. Intussen gaat het over ondergoed in de uitverkoop, met als logisch gevolg dat pap aanstalten maakt om de kamer te verlaten. NEE, niet weggaan! Ik schiet in paniek en ik roep onhandig: “Eeuh jongens, ik heb een nieuwtje!” Ik heb direct de aandacht, want sappige roddels zijn in huize De Wild altijd meer dan welkom. Op datzelfde moment vraagt er een stem in mijn hoofd wat ik in godsnaam heb gedaan. Je bent niet wijs, beweert de stem naar wie ik veel te veel jaar heb geluisterd. Maar er is geen weg terug, de sprong is een feit. Ik spreek die ene zin uit waar ik zo lang niet aan wilde denken. Pap en mam reageren precies zoals ze zijn. Mam met duizend en één vragen. Pap met geestige opmerkingen, zoals: “Val je dan op brunettes of op blondines?” Een opgelucht gevoel daalt op me neer en ik val voor het eerst in tijden met een brede glimlach op mijn gezicht in slaap.

De volgende dag vertel ik m’n vrienden hoe blij ik ben dat ik mijn ouders heb ingelicht. Mijn vriendengroep is allang op de hoogte van mijn geaardheid. Dat is ook niet zo gek. Onze groep is zo roze gekleurd dat er van een serieuze coming-out geen sprake was. Bij ons is het immers zo goed als ‘normaal’.

De volgende sprong staat op het programma: mijn volleybalteam. De grootste en daardoor misschien wel engste coming-out van allemaal. Ik besluit om eerst enkele teammaatjes in vertrouwen te nemen. Het is fijn om te weten dat er mensen achter je staan. Of in metaforische zin: naast het zwembad staan, met een reddingsband in de handen voor het geval ik me een klaplong duik. Na drie autoritten (- Oke, ik vertel het bij die boom. Of bij dat tankstation. Of als we de snelweg op rijden. Of… Ach, laat maar ook -), heb ik de moed gevonden om die vreselijke eerste zin eruit te persen: “Ik moet iets vertellen.” Een half uur later voel ik me opnieuw enorm opgelucht. Ik ben trots op mezelf en ik voel me gezegend met zo’n fijne omgeving met louter positieve reacties. Ik neem me voor om zo snel mogelijk het hele team op de hoogte te brengen.

Exact een week na deze autobiecht is het zo ver. Eén van mijn ingelichte teamgenoten roept na de training de ploeg bijeen – want als ik het zelf had moeten doen, dan was ik in 2022 nog niet uit de kast. De hele training lang loop ik met een baksteen in mijn maag die op moment suprême de grootte van een stoeptegel bereikt. Hoewel ik had verwacht dat niemand er een probleem van zou maken, ben ik blij verrast met hoe vanzelfsprekend iedereen het vindt dat het prima is. Men vindt het zelfs ‘leuk’! Een last valt van mijn schouders en ik kan niet in woorden uitdrukken hoe fijn het is om met zulke open armen te worden ontvangen.

Misschien heb ik het mezelf wel iets te moeilijk gemaakt. Achteraf gezien had ik op de plank tot drie moeten tellen in plaats van tot honderd. Soms is het beter om niet te veel na te denken over ‘wat als’, maar gewoon te springen. Laat ik dat met deze blogpost ook maar doen. Dan is iedereen op de hoogte en dan zie ik wel waar het schip strandt. Eén, twee… Drie.

Advertenties