Burgers met Ballen

Ik zag vandaag een stuk of twintig vrouwen van rond de veertig rondjes rennen in een Eindhovens park. Verschillende passanten zag ik heimelijk en soms ook opzichtig lachen vanwege deze joggende dames, die met deze openbare bootcamp een waarschijnlijk hopeloze poging deden om in zomershape te komen.

Natuurlijk was mijn eerste reactie ook: ‘what the fuck is dit.’ Laatst had iemand een foto op Facebook gepost waaruit bleek dat ze haar bovenste haarlaag had geblondeerd – ‘wat nep zeg’. De volgende dag dropte ze de bom dat deze geblondeerde pluk zojuist was omgetoverd tot een ware regenboog – ‘oke, ze spoort gewoon niet’.

Een bijna denigrerende reactie die ik heb op zowat alles wat afwijkt van de normale standaard. Terwijl ik me nu ineens bedenk dat we dit soort mensen een lintje mogen geven. Een onderscheiding voor ‘Burger met Ballen’. Want eigenlijk is het hartstikke fantastisch dat er mensen zijn die zich durven te onderscheiden van de rest, gezien onze oerdrift naar kuddegedrag – iets wat tegenwoordig vertaald wordt in een aantal likes. Zolang er sprake is van een intrinsiek motief (“Ik heb altijd al mijn haar paars willen verven, maar durfde nooit”) en het geen wanhopige kreet om aandacht betreft, vind ik het stiekem geweldig. Ik zou op sommige momenten ook weleens over zo’n dosis moed willen beschikken.

En nee mensen, geen paniek. Geen spuitbus op de wereld die mijn prachtige, onweerstaanbare lokken mag bewerken. Maar een pyjamadag die je niet hoeft te onderbreken omdat er een bezoekje aan de supermarkt op de planning staat, lijkt me eigenlijk best wel lekker.

Advertenties

Ogenschijnlijke ontsteking

Ik word wakker van het licht door de gordijnen. Ik gaap, rek me uit en open mijn ogen. Althans, dat probeer ik. Mijn zicht wordt beperkt door een waas en ik zie totaal geen diepte. Ik ga rechtop zitten en wankel in de richting van de spiegel. Daar tref ik een ontluisterend tafereel aan. De bovenste wimpers van mijn rechteroog zitten volledig vastgeplakt aan de onderste wimpers. Compleet dichtgeroest met al het siep – de lezers van buiten Brabant kennen dit rare gele goedje geloof ik als ‘slaap’ – dat mijn oogje in de loop van de nacht heeft geproduceerd. Ik bespaar u de details, maar met vereende krachten krijg ik mijn oog dan toch opengetrokken. Wat een begin van de ochtend!

Aan het ontbijt wordt mijn oog uitvoerig bestudeerd door mijn zusje. “Je ooglid is knalrood en hangt. Echt goor”, zo klinkt haar diepgaande analyse. Een analyse die ik zelf ook al maakte: ik kan nauwelijks omhoog kijken zonder belemmerd te worden door een huge lap huid. Volgens Google – ik weet het, nooit naar symptonen googlen want de kleinste blauwe plek is volgens de zoekmachine al aanleiding om met spoed een ambulance te bellen – zijn er een aantal opties waarvan ‘ontstoken oog’ het meest logische en ook het minst erge klinkt.

Toch gaat de fantasie met me aan de haal en voor ik het weet flap ik eruit dat er misschien wel een nest vol kroelende wormen achter mijn oogbal is gevestigd. Een suggestie die ik uiteraard direct weer verwerp, maar die me wel bij een andere mogelijkheid brengt: een muggenbult. Mijn oog jeukt namelijk non-stop en gezien mijn laatste muggenbult – ik ben in freaking december nog geprikt door zo’n rotbeest – geen vreemde gedachte.

Je ooglid… een meer dan afschuwelijke plek voor een muggenbult. In feite zijn er twee soorten rampplaatsen te onderscheiden wat betreft voltreffers van muggen. 1) Plekken die fysiek ongemak opleveren, denk dan aan bijvoorbeeld een bult onder je voetzool. Zo’n gevoelloos lichaamsdeel dat flink krabben de jeuk niet kan verminderen. Om het in social media termen te verwoorden: de struggle is real. En 2) plekken met mentaal ongemak, zoals – ik durf er nauwelijks melding van te maken – je bilnaad. Ongegeneerd krabben is er dan absoluut niet bij, tenzij je een sociale doodzonde wil begaan.

Een muggenbult op je ooglid heeft het slechtste van beide werelden. Ten eerste is krabben in je oog niet zonder gevaren: voor je het door hebt moet je aan de opticien een verklaring afleggen hoe het komt dat je oog niet meer normaal functioneert. Daarnaast is een opgezwollen oog nou niet bepaald een te camoufleren aandoening.

Dus laten we hopen dat het een doodgewoon ontstekinkje is, wat na een paar dagen als vanzelf verdwijnt. En mocht het toch een muggenbult blijken te zijn… Dan ga ik komende carnaval verkleed als piraat. Inclusief ooglap.

 

 

 

 

Help, ik ben een sushi-poesie!

Met mijn alles behalve getrainde mode-ogen – ik weet echt helemaal niks van de nieuwste ditjes of datjes af – durf ik toch te stellen dat ik een aardige indruk heb gekregen van de nieuwste foodhypes in Nederland. Vandaag de dag eten we pepernoten met sinaasappelsmaak, drinken we smoothies van gojibessen  besprenkeld met chiazaad en… zijn we dol op sushi. Iedereen, behalve ik. Ik kan maar niet wennen aan het idee om een stuk rauwe vis, omwikkeld met zeewier en  plakkerige rijst op je bord te zien liggen.

Zeewier, dat is toch die glibberige plant die je tenen doet schrikken als je een duik in de Noordzee neemt? Hoezo serveren we dat als zijnde een culinair hoogstandje?

Kortom, ik was één van de weinige sushi-sceptici die ons land rijk is. Dat bleek ook toen enkelen van mijn volleybalteam voorstelden om onder het “genot” van een hap sushi wat aan teambuilding te doen. Ik, als viswalger, zag het vooral als een gigantisch struikelblok om deze avond met een gevulde maag af te sluiten. Hoewel ik er alles aan deed om dit initiatief richting een doodnormaal restaurant te verplaatsen, wilden ze van geen wijken weten. Door middel van een verdekte vorm van groepsdruk – “Kim, je komt anders niet thuis want auto Eindhoven gaat mee eten” – ging ik toch overstag.

Met zes man sterk – drie rasechte sushilovers en drie groentjes – wandelden we de wereld van de opgerolde vis in. Een wereld waar ik me tot dat moment weigerde in te verdiepen en dus keek ik mijn ogen uit. Want wauw, wat waren er veel mensen! Dan moet er toch wel iets goeds aan dat vreemde Japanse concept zitten…

Zou het de vorm van bediening zijn? Ik heb nog nooit ergens gegeten waar ik op een iPad mijn vijf gekozen minigerechten aan kon klikken. De eerste ronde (je hebt er vijf! Wat neerkomt op 25 gerechten, wajoo) ging ik gelijk volle bak. Nadat ik mezelf een acclimatisatiemomentje gunde met een miniloempia, was het grote sushimoment daar. “Met deze Nigiri Sishi an Tempura (of iets in die geest) zit je aaaaaltijd goed”, zo klonk het sterk onderbouwde advies van één van m’n teamies. Dus na drie mislukte pogingen reikte ik bibberig deze tussen twee stokjes ingeklemde sushi-special naar m’n mond. Eén keer kauwen en een smaakbom ontplofte. Het was crunchy – I know, heel raar –, het was vissig, glibberig en oosters. Maar het was vooral: heel veel. Wat ook gold voor de direct daarna bestelde en afgeleverde noodlesoop: een drijvende groentetuin die basically de rest van de bestelrondes blokkeerde. “Als je het niet opkrijgt, moet je bijbetalen”, lichtte een teamgenoot me in, helaas pas nadat ik die halve liter soep, een beefroll en nog wat sushiplaten voorgeschoteld kreeg.

Al met al was het een enerverende avond, maar het sushi-eten an sich is niet voor mij weggelegd. Geef mij maar lekker een andijviestampje van moeders. En als je het heel exotisch wil maken, mag je die andijvie best oprollen in een paar speklapjes. Maar zeewier… laat dat maar lekker in de zee.